Carbon markten in beweging: Kritiek op compensatieprojecten

– 08 februari 2024

Carbon markten in beweging: Kritiek op compensatieprojecten

Nieuwsbericht
08 feb 2024

Dit is artikel 3 uit 4 van onze blogserie Carbon markten in beweging

Carbon markten zijn aanzienlijk geëvolueerd als gevolg van veranderingen in het internationale klimaatbeleid, de economische omstandigheden en de groeiende erkenning van de noodzaak om de klimaatverandering aan te pakken. In een serie van vier nieuwe artikelen zal FairClimateFund hieraan meer aandacht besteden. In het eerste deel gaven we een globaal overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen en in het tweede deel gingen we in op de veranderende criteria en normen voor het maken van CO2-neutrale claims door bedrijven die gebruik maken van carbon markten. In dit derde deel gaan we in op de kritiek op compensatieprojecten.

In het voorgaande artikel stipten we al aan dat er groeiende aandacht is voor de kwaliteit van klimaatmitigatieprojecten, met name als kopers van carbon credits op basis van die credits claimen klimaatneutraal te opereren. Er zijn echter diverse wetenschappers die hebben geconcludeerd dat een groot deel van de projecten minder CO2-emissies reduceren dan beloofd, ondanks verificatie of certificering door één van de erkende standaarden, zoals Verra of Gold Standard. In 2023 zijn ook diverse onderzoeksjournalisten in de praktijk van compensatieprojecten gedoken, waaronder Follow the Money, the Guardian en Die Zeit. Maar voordat we hier verder op ingaan, geven we eerst een overzicht van type projecten en standaarden in de vrijwillige carbon markt.

In dit artikel behandelen we eerst een aantal aspecten van projectkwaliteit, vervolgens maken we een onderscheid in type projecten en standaarden, en tot slot geven we een overzicht van initiatieven om te komen tot het verbeteren van de kwaliteit van projecten.

Type projecten en standaarden

Op de vrijwillige carbon markt worden certificaten verhandeld van emissiereducties die worden gerealiseerd in klimaatmitigatieprojecten. Er is een grote diversiteit van projecten en er zijn verschillende typeringen mogelijk. Zo is een onderscheid te maken in projecten die de uitstoot van broeikasgassen (CO2, methaan, etc.) voorkomen en projecten die CO2 uit de atmosfeer halen en opslaan. Bij projecten die CO2 uit de atmosfeer halen, moet je denken aan projecten die gebruik maken van oplossingen die de natuur biedt (zgn. nature based solutions), zoals opslag in biomassa (herbebossing, opslag in de bodem) en industrieel-technologische projecten, zoals opslag in voormalige gasvelden of mineralisering in de diepzee. Er is toenemende aandacht voor de laatstgenoemde projecten, omdat deze een meer permanente opslag zou garanderen, maar vooralsnog zijn de kosten van deze oplossingen heel hoog.

Er is ook een onderscheid mogelijk in projecten via sectoren of actoren. Zo zijn er veel bosprojecten (herbebossing en bosbescherming) en hernieuwbare energieprojecten (wind, zon, water), maar ook voor betere afvalverwerking, industriële processen, landbouwmethoden, ander transport en tenslotte schonere kookmethoden. Onder de laatste vallen verbeterde kooktoestellen en gebruik van duurzame brandstoffen (bijvoorbeeld biogas).

Bron: State of the Voluntary Carbon Markets 2023 from Ecosystem Marketplace, a Forest<br>Trends Initiative
Bron: State of the Voluntary Carbon Markets 2023 from Ecosystem Marketplace, a Forest Trends Initiative

In 2022 werd meer dan 60% van de investeringen in de vrijwillige carbon markt besteed aan bosprojecten, waarvan het merendeel in REDD+ projecten (bosbescherming). De ‘schoon koken’-sector waar FairClimateFund zich vooral op richt, beslaat slechts een klein deel van de totale markt, zie bovenstaande grafiek. Schonere kookoplossingen vallen onder de categorie “household/community devices”. Het aandeel van dit type projecten neemt overigens wel toe, zeker gerekend in aantallen projecten. Van de nieuwe projectregistraties in 2023 is bijna 40% gericht op huishoudens of gemeenschappen. De gemiddelde projectomvang in volume CO2 is wel laag vergeleken met bosprojecten en andere projecttypen. Het aantal nieuwe projecten in de hernieuwbare energie is daarentegen sterk gedaald. Dat heeft te maken met het feit dat wind- en zonne-energieprojecten tegenwoordig ook commercieel levensvatbaar zijn zonder carbon credits. De credits die nog wel verhandeld worden, komen meestal voort uit projecten die al lange tijd geleden zijn gestart.

Naast verschillende type projecten, zijn er ook verschillende standaarden die regels en
richtlijnen opstellen voor de certificering van CO2-reductie in deze projecten. De grootste standaard in omzet is Verra met Gold Standard op de tweede plaats. Verra wordt vooral gebruikt om bosprojecten te certificeren. In de tabel vind je een overzicht van de vier belangrijkste standaarden in de vrijwillige carbon markt.

Bron: The voluntary Carbon Market Explained (VCM Primer), chapter 7: What is the role of carbon standards in the voluntary carbon market? Climate Focus, 2023.

Aspecten van projectkwaliteit

Klimaatmitigatieprojecten hebben tot doel om klimaatverandering tegen te gaan (door de uitstoot van broeikasgassen te reduceren of door CO2 uit de atmosfeer te halen). Daarnaast dienen de projecten bij te dragen aan duurzame ontwikkeling. Dit zijn allebei belangrijke onderdelen. Een beoordeling van de kwaliteit van een project gaat daarom over beide onderdelen, maar de beoordeling kan verschillend uitpakken. De kritiek die in 2023 oplaaide gaat vooral over de kwantificering van de emissiereducties. Een ton CO2 moet aantoonbaar een ton zijn. Dat is een terecht punt, maar staat los van de bijdrage aan duurzame ontwikkeling.

De meting van emissiereducties is vooral lastig in bosbeschermingsprojecten. In een zogenaamd REDD+ project worden maatregelen genomen om boskap tegen te gaan. Het bos blijft intact. Maar wat zou er gebeurd zijn zonder deze maatregelen? Men veronderstelt dat dan een deel van het bos verloren zou gaan bijvoorbeeld door de aanleg van landbouwakkers, uitbreiding van nederzettingen, commerciële exploitatie (houtwinning) of bosbranden. Maar hoeveel? Dat is lastig vast te stellen.

Er wordt bijvoorbeeld een vergelijking gemaakt met het verlies van bomen (en de daarin vastgelegde CO2) in een ander vergelijkbaar gebied. De meting wordt bepaald door de standaard en de methodologie. De methodologieën worden voortdurend geactualiseerd, maar het blijkt nu dat deze nog altijd verre van perfect zijn. In het geval van een van de grootste REDD+-projecten, het Kariba project in Zimbabwe, kwam het platform voor onderzoeksjournalistiek “Follow the Money” bijvoorbeeld tot de conclusie dat er sprake was van maar liefst 64% overschatting van de emissiereducties (‘over-crediting’) 1. De projectontwikkelaar South Pole sprak dit tegen, maar de verdediging was niet sterk en de standaard Verra heeft besloten om de uitgifte van certificaten stop te zetten.

Het Kariba onderzoek staat niet op zichzelf. Een gezamenlijk artikel van the Guardian, Die Zeit en SourceMaterial 2 concludeerde op basis van meerdere wetenschappelijke publicaties 3 dat meer dan 90% van REDD+ credits uitgegeven door de standaard Verra geen werkelijke klimaatopbrengst leverde. Deze conclusie is tegengesproken door Verra, omdat de onderzochte projecten geen representatieve steekproef zou vertegenwoordigen, maar het algemene beeld is door vele experts bevestigd.

Hoewel het risico van ‘over-crediting’ het grootst lijkt te zijn bij bosbeschermingsprojecten is het een breder verschijnsel in de carbon markt. Naar aanleiding van een onlangs gepubliceerd onderzoek van de University of California in Berkeley “Cooking the books: Pervasive overcrediting from cookstoves offset methodologie” 4, blijkt dat er ook veel kritiek is op methodologieën die de CO₂-emissies kwantificeren van cookstove projecten. Cookstove projecten overschatten de klimaatvoordelen tot wel 1.000% zeggen ze. Gold Standard, een van de belangrijkste standaarden voor cookstove projecten, geeft aan dat er aanzienlijke tekortkomingen zijn in het onderzoek en dat conclusies niet stroken met de bredere academische literatuur en de opvattingen van deskundigen over schoon koken. Tegelijkertijd geeft Gold Standard aan dat zij continu werkt aan het optimaliseren van de processen en methodologieën om de beste en meest efficiënte impactmeting te garanderen. Extra onderzoek biedt dan altijd de mogelijkheid om de CO₂-markt te verbeteren.

Andere problemen die spelen bij klimaatmitigatieprojecten zijn de additionaliteit (voor alle projecttypes) en permanentie. Dit laatste speelt bij projecten die CO2 uit de atmosfeer vastleggen in bomen of bodem. Bomen die worden aangeplant kunnen immers ook weer verloren gaan door een bosbrand of houtkap. Standaarden zoals Verra (manager van het Verified Carbon Standard Program, VCS) en Gold Standard houden hier rekening mee door het reserveren van een buffer (een % van de berekende CO2-reductie mag niet worden verkocht), maar stel dat het verlies de buffer overtreft? Projecten met schoon koken oplossingen staan ook ter discussie, o.a. vanwege de lastige toerekening van de fractie van ‘hernieuwbare’ biomassa (brandhout en houtskool) die bespaard of vervangen wordt met efficiënte kooktoestellen. Biomassa kan slechts als hernieuwbare energiebron beschouwd worden als alle gebruikte biomassa ook weer wordt hernieuwd. Daarnaast speelt het feit dat projecten waar grote aantallen huishoudens aan deelnemen minder ‘controleerbaar’ zijn dan een project in een gecontroleerde omgeving zoals in één grote fabriek. Er ontstaan daardoor discussies over de betrouwbaarheid van de steekproeven bij de metingen op huishoudniveau. Tijdens onze relatiedag in mei 2023 stonden wij als FairClimateFund stil bij dit probleem, zie website artikel: CO2 compensatie: werkt het of werkt het niet?

De kwaliteit van een project in termen van duurzame ontwikkeling is een heel andere dimensie, en duidelijk niet proportioneel aan de kwaliteit van een project in termen van emissiereducties. Al vanaf het begin wordt bij de emissiehandel rekening gehouden met mensenrechten en sociale-economische risico’s. In het Clean Development Mechanism moesten publieke consultaties schade aan ontwikkelingskansen en mensenrechten voorkomen. Gold Standard is in 2004 opgericht door het Wereld Natuur Fonds en andere maatschappelijke organisaties met het doel om duurzame ontwikkelingseffecten in CDM en vrijwillige carbon markten te borgen. Sinds 2018 is dit omgezet in de monitoring van SDG-indicatoren in Gold Standard for the Global Goals. De monitoring en verificatie van de exacte bijdrage aan SDG’s is echter duidelijk minder ontwikkeld dan die van CO2-emissiereducties. Dat is tot op zekere hoogte ook goed want de kosten van de verificatie zijn vaak zo hoog dat er bij de prijzen van carbon credits op de reguliere markt weinig overblijft voor de uitvoering van de projecten en de mensen waar het om te doen is. De Fairtrade Climate Standard voegt nog een element toe om de projectkwaliteit te verhogen door de organisatie van huishoudens (boerencoöperaties, gemeenschappen, organisaties van gebruikers). Hierdoor ontstaat een mechanisme waardoor de ontwikkelingseffecten worden vergroot en het proces van monitoring en verificatie wordt vereenvoudigd. Bovendien ontvangen de producenten een premie waarmee ze maatregelen kunnen financieren bedoeld voor de aanpassing aan klimaatverandering.

Nieuwe initiatieven ter verbetering van projectkwaliteit

Naar aanleiding van de overgang van het Kyoto Protocol naar de Overeenkomst van Parijs worden de regels voor gereguleerde carbon markten opnieuw gedefinieerd (zie ons artikel: Van Kyoto tot Parijs en verder). Daar hoort ook bij dat nieuwe regels worden opgesteld voor de kwaliteit van projecten.

Op de vrijwillige markt gelden eigen regels maar de nieuwe regels voor emissiereducties die onder Artikel 6.4 kunnen worden verhandeld gelden als nuttige referentie. Er zijn sinds 2020 diverse initiatieven genomen om de kwaliteit van bestaande projecten te evalueren en die van nieuwe projecten te borgen. In 2021 hebben Environmental Defense Fund, World Wildlife Fund en Öko-Institut hun krachten gebundeld in het Carbon Credit Quality Initiative (CCQI) om de betrouwbaarheid van de beoordeling van additionaliteit en kwantificering van emissiereducties via methodologieën van de belangrijkste standaarden met elkaar te vergelijken. Dit heeft geleid tot de publicatie van een score kaart en scoring tool van een groot aantal type projecten in 2022 en 2023. CCQI concludeert dat de risico’s van over-crediting aanzienlijk zijn, ook bij projecten met huishoudens (zoals verbeterde kooktoestellen). Wat betreft additionaliteit wordt bij cookstove projecten gesteld dat er een groot verschil is tussen stad en platteland. Projecten met rurale huishoudens zijn bijna altijd additioneel, maar bij urbane huishoudens is dit afhankelijk van de lokale marktomstandigheden. CCQI heeft nog geen score card gepubliceerd voor bosprojecten.

Naast de beoordeling van additionaliteit en kwantificering van emissiereducties hebben de partners die samenwerken in CCQI ook een beoordeling van duurzame ontwikkeling van een aantal projecttypes beoordeeld 5. Vooral projecten die huishoudens voorzien van schone kookoplossingen dragen bij aan een groot aantal SDGs. Hierbij zijn de gezondheidseffecten wel afhankelijk van de prestatie van het kooktoestel (‘low tier’ versus ‘high tier’) en of tegelijkertijd nog steeds vervuilende kookmethoden gebruikt worden (‘stove stacking’).

CCQI evalueert geen individuele projecten maar type projecten op basis van de eisen en toepassing hiervan door standaarden en de door hen goedgekeurde methodologieën. In 2020 en 2021 zijn diverse rating bureaus opgericht die individuele projecten beoordelen die carbon credits aanbieden op de vrijwillige markt. Hierbij worden risicoscores toegekend vergelijkbaar met de financiële sector (AAA, AA+, etc.). De belangrijkste bureaus zijn nu BeZero Carbon, Calyx Global en Sylvera. Er is ook kritiek op deze bureaus omdat de resultaten van hetzelfde project soms verschillen tussen de bureaus en de criteria niet altijd helder zijn. Anderen stellen dat deze sector nog in ontwikkeling is.

In 2020 is de Taskforce on Scaling Voluntary Carbon Markets opgericht met meer dan 250 leden afkomstig uit diverse belanghebbende organisaties in de sector. Het doel was om alle belangen in de sector te verenigen en knelpunten voor investeringen in en groei van vrijwillige emissiehandel op te lossen. In 2021 werd geconcludeerd dat meer uniforme kwaliteit van type projecten en metingen een voorwaarde zijn om carbon credits van verschillende projecten te kunnen bundelen, zodat deze in een standaardpakket kunnen worden verhandeld. Dat is interessant voor allerlei investeerders, waardoor meer liquiditeit in de markt komt om meer projecten te kunnen starten. Er werd daarom in oktober 2021 besloten tot de oprichting van de Integrity Council for Voluntary Carbon Markets (IC-VCM).

Naar aanleiding van de groeiende kritiek in 2023 is de aandacht voor deze ‘integriteits’-initiatieven sterk gegroeid, vooral in de context van het gebruik van carbon credits voor claims dat een bedrijf of product ‘klimaatneutraal’ zou zijn (zie tweede artikel in deze serie: Klimaatneutraal of niet?). Dit leidde ook tot groeiende aandacht voor het werk van de ICVCM. ICVCM werkt sindsdien aan de definiëring van een set Core Carbon Principles (CCP).

Enigszins vergelijkbaar hiermee, maar specifiek voor de schoon koken-sector, is het initiatief van de Clean Cooking Alliance om te komen tot een set Principles for Responsible Carbon Finance in Clean Cooking. Dit proces is begin 2023 gestart en er is van mei tot november input verzameld van vertegenwoordigers van 267 instellingen die actief zijn in de schoon koken- en carbon financieringssector. In november is een voorlopige versie van 12 principes gepubliceerd, geclusterd in 4 thema’s: Integrity (1), Transparency (2), Fairness (3) en Sustainability (4). In 2024 zullen de principes in nog meer detail worden uitgewerkt en zal er een gedragscode worden ontwikkeld. Het doel is om investeringen in de meest betrouwbare projecten te stimuleren en de impact van deze investeringen te vergroten

Bron: CCA 2023, A Call to Action. Delivering Responsible Carbon Finance.

Naar aanleiding van de overgang van het Kyoto Protocol naar de Overeenkomst van Parijs worden de regels voor gereguleerde carbon markten opnieuw gedefinieerd (zie eerste artikel in deze serie: Van Kyoto tot Parijs en verder). Daar hoort ook bij dat nieuwe regels worden opgesteld voor de kwaliteit van projecten.

In een andere coalitie, het zogenaamde Clean Cooking and Climate Consortium (4C), wordt gewerkt aan een nieuwe methodologie voor schoner koken projecten die moet zorgen voor een betrouwbare berekening van emissiereducties. Dit moet een antwoord geven op de kritiek op de bestaande ‘oude’ methodologieën, maar tegelijkertijd toepasbaar zijn in de praktijk. Het risico van over-crediting zou moeten worden weggenomen. Een conservatieve benadering betekent wel dat de kostprijs van een emissiereductie aanzienlijk zal toenemen. De gebruiker van de emissiereducties zal meer euro’s moeten investeren per gemeten ton CO2-reductie. De methodologie wordt ontwikkeld met het oog op toepassing in gebruik van Artikel 6 van de Parijs Overeenkomst (A6.4ERs) maar zal waarschijnlijk ook worden erkend door Gold Standard en andere standaarden.

Onze conclusie over kritiek op compensatieprojecten 6

Over het geheel genomen weerspiegelen de ontwikkelingen in de carbon markten een erkenning van het belang van marktmechanismen bij het aanpakken van de klimaatverandering met een toenemende rol van marktregulering. Marktmechanismen worden verfijnd en versterkt om beter te voldoen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de mondiale klimaatactie. Er is groeiende aandacht voor de kwaliteit van projecten, vooral wat betreft de meting van de gerealiseerde emissiereducties of verwijdering van CO2 uit de atmosfeer. Maar ook voor de ontwikkelingsimpact (bijdrage aan Duurzame Ontwikkelingsdoelen). De bijdrage aan klimaatmitigatie en duurzame ontwikkeling kunnen hand in hand gaan, maar zijn niet automatisch proportioneel gerelateerd. In 2023 zijn veel kritische artikelen verschenen die wijzen op een overschatting van emissiereducties ondanks verificatie door onafhankelijke auditors en standaarden. Er zijn diverse initiatieven opgericht om te komen tot een verbetering.

FairClimateFund juicht deze initiatieven toe en loopt hierop vooruit door gebruik van de Fairtrade Climate Standard en/of toepassing van Fairtrade Principles in alle door FairClimateFund gesteunde projecten.

  1. Follow the Money: Showcase project by the world’s biggest carbon trader actually resulted in more carbon emissions ↩︎
  2. The Guardian: Revealed: more than 90% of rainforest carbon offsets by biggest certifier are worthless, analysis shows ↩︎
  3. Science: https://www.science.org/doi/10.1126/science.ade3535 ↩︎
  4. Nature Sustainability: https://www.nature.com/articles/s41893-023-01259-6 ↩︎
  5. Sustainable development impacts of selected project types in the voluntary carbon market | oeko.de. Deze resultaten zijn ook verwerkt in criterium 6.2 van CCQI waar dit beoordelingskader ook is toegepast op een aantal andere projecttypes. ↩︎
  6. Het is vermeldenswaardig dat de implementatie van carbon markten complex kan zijn en onderhevig kan zijn aan voortdurende onderhandelingen en verfijning op internationale klimaatconferenties. ↩︎

Download hier het blog artikel – Kritiek op compensatieprojecten